Legendes en mythologie

De mondelinge overlevering van Rapa Nui laat zich niet in nette westerse hokjes stoppen: migratie-epossen, rivaliserende clans en verhalen uit het vogelmantijdperk leven voort als 'a'amu. Lees ze als inheems geheugen, niet als jaartallen uit een schoolboek.

Op deze pagina
  1. Gebeurtenissen vóór de migratie naar Rapa Nui
  2. De droom van Haumaka
  3. Komst en uitroeiing van de Hānau 'E'epe
  4. Koning Tu'u Ko Ihu en de moai kava-kava
  5. De dood van koning Hotu Matu'a
  6. Koning Tangaroa uit Hiva, die als zeehond op Rapa Nui aankwam, en zijn broer Hiro
  7. Make-Make schept de mens

Op Paaseiland werden verhalen mondeling van generatie op generatie doorgegeven. Geschiedenis wordt legende, en legende wordt mythe. Al die verschillende woorden die wij daar nu voor hebben, worden in het Rapa Nui met maar één woord aangeduid: 'a'amu. Twijfelen aan de waarheid van sommige van deze verhalen is een modern verschijnsel. Voordat de huidige samenleving Paaseiland bereikte, golden ze allemaal als ware gebeurtenissen uit het verleden.

LegendeToelichtingTaal
Gebeurtenissen vóór de migratie naar Rapa NuiEen minder bekende legende over waarom de kolonisten van Rapa Nui hun oorspronkelijke thuis verlieten.Nederlands
De droom van HaumakaKoning Hotu Matu'a ontvluchtte Hiva op zoek naar een nieuw land.Nederlands
Hanau 'E'epeDe komst en uitroeiing van de tweede groep immigranten naar Rapa Nui.Nederlands & Rapa Nui
Moai kava-kavaKoning Tu'u Ko Ihu en de houten moai.Nederlands & Rapa Nui
De dood van Hotu Matu'aDe laatste daden van Hotu Matu'a.Nederlands & Rapa Nui
Tangaroa en HiroKoning Tangaroa uit Hiva, die in de gedaante van een zeehond Rapa Nui bereikte.Nederlands & Rapa Nui
Make-Make schept de mensDe legende over hoe de mens ontstond.Nederlands & Rapa Nui

Gebeurtenissen vóór de migratie naar Rapa Nui

Hieronder volgt een minder bekende legende over de gebeurtenissen die ertoe leidden dat koning Hotu Matu'a en zijn volk (later bekend als de Hanau Momoko) hun thuis ontvluchtten, hier Marae Toe Hau genoemd, een deel van het land Hiva.

Ze werd opgetekend door William J. Thomson van het schip USS Mohican, dat in 1886 elf dagen bij Rapa Nui verbleef. Thomsons verslag over het eiland, Te Pito Te Henua Or Easter Island, werd voor het eerst gepubliceerd in 1891.

De verteller of de tolk haalde de windrichtingen door elkaar en beweerde dat de kolonisten uit een land in de richting van de opkomende zon (het oosten) kwamen, terwijl er in die richting geen eilandengroep ligt waar deze kolonisten vandaan kunnen zijn gekomen. Bovendien zeggen andere legendes meestal dat Hiva in de richting van de ondergaande zon (het westen) lag.

...(De overlevering verhaalt) dat Hotu Matu'a en zijn volgelingen kwamen van een groep eilanden gelegen naar de opkomende zon toe, en de naam van het land was Marae Toe Hau, wat letterlijk de begraafplaats betekent. In dit land was het klimaat zo verschrikkelijk heet dat de mensen soms stierven aan de gevolgen van de hitte, en in bepaalde jaargetijden werden planten en gewassen door de brandende zon verschroeid en verdord.

De omstandigheden die tot de migratie leidden, worden als volgt verhaald: Hotu Matu'a volgde zijn vader op, die een machtig stamhoofd was, maar door een samenloop van omstandigheden waarover hij geen macht had, duurde zijn heerschappij in zijn geboorteland slechts zeer weinig jaren. Zijn broeder Machaa werd verliefd op een maagd die om haar schoonheid en bevalligheid vermaard was, maar er verscheen een mededinger ten tonele in de persoon van Oroi, het machtige hoofd van een naburige clan. Zoals haar sekse in alle tijden en streken placht te doen, speelde deze donkere schone met de genegenheid van haar vrijers en bleek zij wispelturig. Toen men haar aandrong tussen beiden te kiezen, verklaarde zij Oroi te zullen huwen, mits hij zijn liefde bewees door een pelgrimstocht rond het eiland te maken, en er werd bepaald dat hij onafgebroken moest lopen, zonder halt te houden om te eten of om te rusten, bij dag noch bij nacht, totdat de tocht rond het eiland voltooid was. Er werden dienaren aangewezen om onderweg voedsel te dragen, en Oroi begon aan zijn reis, de eerste mijlen vergezeld door zijn verloofde, die bij het afscheid beloofde aan niets anders dan aan hem te zullen denken tot zijn terugkeer. Diezelfde avond nog ging de wispelturige vrouw er met haar andere minnaar, Machaa, vandoor. Oroi vernam dit nieuws pas toen hij aan het verste einde van het eiland was aangekomen; toen keerde hij rechtstreeks naar huis terug, waar hij een groot feestmaal aanrichtte waarvoor hij alle krijgers van zijn clan ontbood. De smaad die hem was aangedaan werd verteld, en alle aanwezigen zwoeren dat zij niet zouden rusten voordat Hotu Matu'a en zijn gehele familie ter dood waren gebracht.

Het schijnt dat Machaa een voorzichtig man was, en toen hij zag dat een wanhopige strijd op handen was, scheepte hij zich met zes uitverkoren volgelingen en zijn bruid in in een grote dubbele kano, en met ruim proviand zeilde hij in de nacht weg naar een gunstiger oord. De grote geest Make-Make zou aan hem zijn verschenen en hem te kennen hebben gegeven dat een groot onbewoond eiland te vinden was door koers te zetten naar de ondergaande zon. Het land werd ontwaard toen zij twee maanden onderweg waren, en de kano werd aan de zuidzijde van het eiland op het strand gezet. Op de tweede dag na hun aankomst vonden zij op het strand bij Anakena een schildpad, en een van de mannen werd gedood door een slag van haar zwemvlies toen hij haar probeerde om te keren. Twee maanden nadat zij op het eiland waren geland, kwamen de twee kano's met Hotu Matu'a en zijn volgelingen aan, driehonderd in getal.

De vlucht van Machaa stilde de toorn van Oroi niet, en er werd een oorlog op leven en dood gevoerd totdat Hotu Matu'a, na in drie grote veldslagen te zijn verslagen, tot het uiterste was gedreven. Ontmoedigd door zijn tegenspoed en ervan overtuigd dat zijn gevangenneming en dood uiteindelijk zeker waren, besloot hij het eiland Marae Toe Hau te ontvluchten, en hij liet daartoe twee grote kano's van 90 voet lang en 6 voet diep bevoorraden en uitrusten voor een lange reis. In de nacht, aan de vooravond van een nieuwe veldslag, zeilden zij weg, met de afspraak dat de ondergaande zon hun kompas zou zijn.

Het schijnt dat de voorgenomen vlucht van Hotu Matu'a op het laatste ogenblik door Oroi werd ontdekt, en dat deze doortastende persoon zich, als dienaar vermomd, aan boord van een van de kano's smokkelde. Na aankomst op het eiland verborg hij zich tussen de rotsen bij Orongo en zette hij zijn wraak voort door iedere onbeschermde persoon die zijn pad kruiste te vermoorden. Deze boeiende toestand duurde verscheidene jaren voort, maar ten slotte werd Oroi gevangen in een net dat Hotu Matu'a uitwierp, en werd hij doodgeslagen.

De droom van Haumaka

Chaos rommelde over Hiva en het eiland stond op het punt te breken. De nacht was gevallen, en in zijn slaap liet priester Haumaka zijn geest vrij vliegen op zoek naar een nieuw land. Van ver zag hij de randen van de wolken boven de oceaan [wie over zee op zoek is naar een eiland, ziet eerst de wolkenformaties erboven]. Hij zag de nevel van beneden opstijgen. Hij landde tussen de randen van de wolken en zei: Hier is een goede plek voor de koning om te wonen.

De geest van Haumaka ging verder. Hij zag drie eilandjes buiten het hoofdeiland en zei: Ahh, hier zijn de eilandjes: Motu Nui, Motu 'Iti en Motu Kao-Kao. Zij zijn de mensen uit de oude tijden van Ta'aŋa en Haumaka van Hiva.

Hij klom de Pū Mahore op en zei: Dit is Pū Mahore van Haumaka van Hiva. De geest kwam boven aan en voelde de verfrissende wind die uit de vulkaankrater omhoog kwam, en zei: Dit is Puku 'Uri ['Zwarte rots'] van Haumaka van Hiva.

De geest liep verder en gaf plekken op het eiland een naam. Hij bereikte de heuvel in het midden en zei: Dit is de navel van dit land, op de top van deze heuvel. Hij zette een stap naar de top van de heuvel. Hij keek, hij liet zijn ogen over het land gaan, hij zei: Dit is Ma'uŋa Terevaka ['Heuvel van de zeilende boot']. De naam komt niet van het zeilen met een boot. Als een man de top van deze heuvel bereikt, dan is dat wat hij ziet, want het zijn onze ogen, wij zijn het, die de boot zijn.

De geest keert terug naar Hiva en Haumaka wordt wakker. Hij stuurt een boodschap naar 'Ira, Rapareŋa, Mako'i, U'uri, Ku'u-Ku'u van Huatava, Riŋi-Riŋi van Huatava en naar Nonoma van Huatava. Ze komen bij Haumaka bijeen, en hij zegt tegen hen: Ga op zoek naar het land waar de koning kan wonen, ver aan de horizon, waar het land onder de wolken in nevel is gehuld.

De zeven verkenners vertrokken op zoek naar het nieuwe land. Kort daarna volgde hun koning Hotu Matu'a, samen met de rest van zijn volk. Toen de koning aankwam, wezen de zeven verkenners, die het land al hadden verkend, hem de beste plek om aan land te gaan: een breed strand. Dit strand zou bekend worden als Haŋa rau o te 'ariki, De baai van de koning, waar de koning zijn eerste huis bouwde.

Komst en uitroeiing van de Hānau 'E'epe

Opgetekend door Sebastián Englert
Gecorrigeerd en in het Rapa Nui uitgetypt door Paulus Kieviet in 2008
In 2012 in het Engels vertaald door Marcus Edensky en Maria Teresa Ika Pakarati

Nederlands
Rapa Nui
Hotu Matu'a leefde niet meer toen de hānau 'e'epe in dit land waren.
'Ina Hotu Matu'a i ai ai te hānau 'e'epe 'i te kāiŋa nei.
De koning van dit land toen de hānau 'e'epe hier waren, was Tu'u ko Ihu.
Te 'ariki o nei i ai ai te hānau 'e'epe, ko Tu'u ko Ihu.
In de tijd dat de hānau 'e'epe hier waren, zeiden de hānau mo-moko:
I ai era te hānau 'e'epe, he kī te hānau mo-moko:
Waar komen die mannen vandaan? De oorlel valt op: hānau 'e'epe om de lengte van de oorlel!
¿O hē te taŋata era? 'Ai te 'epe: hānau 'e'epe 'o 'epe ro-roa!
Er waren geen hānau 'e'epe-vrouwen, alleen mannen; het waren er veel, en hun aantal groeide door de generaties heen.
'Ina he vi'e hānau 'e'epe, he taŋata nō; ka rau, ka rau, ka pīere, ka pīere.
De hānau 'e'epe woonden op Poike.
Te kona noho o te hānau 'e'epe 'i Pōike.
De hānau 'e'epe waren hardwerkende steenhouwers.
Te hānau 'e'epe taŋata rava keu-keu i te pureva.
Ze zeiden tegen de hānau mo-moko dat ze de stenen die overal op het land lagen in de oceaan moesten gooien.
I kī ki te hānau mo-moko mo hoa i te pureva o ruŋa o te kāiŋa nei ki haho ki te tai.
De hānau mo-moko zeiden: Dat willen we niet.
He kī te hānau mo-moko: 'Ina kai haŋa mātou.
De hānau 'e'epe gooiden de stenen van Pōike in de oceaan om het land schoon te maken.
O te hānau 'e'epe he hoa i te pureva mai Pōike ki tai mo haka tī-tika o te kāiŋa.
De hānau 'e'epe wilden dit land bezitten.
Te haŋa o te hānau 'e'epe mō'ona te kāiŋa nei.
De hānau mo-moko zeiden: "Nee, wij hebben dit land ontdekt, en onze koning Hotu Matu'a is hānau mo-moko.
He kī te hānau mo-moko: "'Ina, a mātou i tike'a te kāiŋa nei, to mātou 'ariki ko Hotu Matu'a he hānau mo-moko.
De koning is niet van jullie stam, van de hānau 'e'epe.
'Ina o kōrua 'ariki, o te hānau 'e'epe.
Wij zullen ons land niet weggeven".
'Ina mātou e ko va'ai atu i to mātou kāiŋa nei".
De hānau 'e'epe werden kwaad en er brak oorlog uit.
He kava te manava o te hānau 'e'epe, he pae te tau'a.
Ze groeven een greppel van Te Hakarava tot Mahatua.
He keri i te rua mai Te Hakarava ki Mahatua.
Iko was koning van de hānau 'e'epe.
He 'ariki o te hānau 'e'epe ko Iko.
Hij gooide hout in de greppel, hij stak het in brand.
He to'o mai i te hahie, he hoa ki raro ki te rua, he tutu.
De hānau 'e'epe groeven een greppel voor de hānau mo-moko, om ze allemaal bijeen te brengen, om ze in de greppel te gooien, om de hānau mo-moko te laten komen, zodat alleen de hānau 'e'epe zouden bestaan, zodat het land alleen van hen zou zijn.
O te hānau 'e'epe i keri ai i te rua mo te hānau mo-moko, mo patu mai, mo hoa ki raro ki te rua, mo pae o te hānau mo-moko, ki noho e hānau 'e'epe nō, ki noho te kāiŋa ki a rāua.
Een hānau mo-moko-vrouw werd door de hānau 'e'epe meegenomen om te koken (ta'o: onder de grond koken) voor de hānau 'e'epe die boven op Poike woonden.
E tahi hānau mo-moko vi'e i to'o e te hānau 'e'epe mo ta'o o te kai o te hānau 'e'epe e noho era 'i ruŋa i Pōike.
De ene kant van het vuur was voor de hānau 'e'epe, de hogere kant; de andere kant van het vuur was voor de hānau mo-moko, de lagere kant.
E tahi tapa o te ahi 'i te hānau 'e'epe, tapa ruŋa; e tahi tapa o te ahi 'i te hānau mo-moko, tapa raro.
Deze vrouw, Moko Pīŋe'i genaamd, huilde om haar volk, omdat zij deel zullen worden van de hānau mo-moko.
He taŋi ta'u vi'e era, ko Moko Pīŋe'i te 'īŋoa, mo tō'ona taŋata, mo taŋata mo te hānau mo-moko.
Ze verborg zich in de nacht bij de kust. Ze ging omhoog en ontmoette de hānau mo-moko; ze begroetten elkaar en huilden.
He piko mai 'i te pō a te taha-taha o te tai, he e'a mai ki ruŋa, he piri ki te hānau mo-moko; he 'aroha, he ta-taŋi.
De hānau mo-moko zeiden tegen Moko Pīŋe'i:
He kī te hānau mo-moko ki a Moko Pīŋe'i:
Hoe kom je bij de hānau 'e'epe?
¿Pē hē ana rava'a mai i te hānau 'e'epe?.
Moko Pīŋe'i zei tegen de hānau mo-moko:
He kī Moko Pīŋe'i ki te hānau mo-moko:
Let goed op mij; als ik ga zitten, als ik een tas naai, dan slapen zij; stuur dan de krijgers vooruit.
E u'i atu te mata ki a au; ana noho mai au, ana raraŋa mai au i te kete, ku ha'uru 'ā (te hānau 'e'epe); ka oho atu te tau'a.
De hānau mo-moko zeiden: Afgesproken.
He kī te hānau mo-moko: "Ku mao 'ā".
Moko Pīŋe'i keerde terug naar het huis van de hānau 'e'epe.
He hoki Moko Pīŋe'i ki te hare o te hānau 'e'epe, he noho.
De volgende dag zagen de hānau mo-moko Moko Pīŋe'i zitten terwijl ze een tas naaide.
'I te rua ra'ā he u'i atu te hānau mo-moko, ku noho mai 'ā Moko Pīŋe'i, ku raraŋa mai 'ā i te kete.
De hānau mo-moko gingen langs de kust, ze kwamen bij Te Hakarava aan en versperden de weg.
He oho atu te hānau mo-moko a tai 'ā, he vari mai ki Te Hakarava, he puru i te ara.
Een paar hānau mo-moko gingen vooruit om zich aan de hānau 'e'epe te laten zien.
He noho atu tētahi hānau mo-moko 'i mu'a mo haka tikera ki te hānau 'e'epe.
De hānau 'e'epe kwamen naar voren, ze brachten de krijgers naar de hānau mo-moko, die zich voor het vuur lieten zien.
He e'a mai te hānau 'e'epe, he taū i te tau'a ki te hānau mo-moko haka tikera atu a mu'a o te ahi.
Krijgers van de hānau mo-moko naderden van achteren aan beide kanten; de hānau 'e'epe zagen het niet, steeds woedend op de hānau mo-moko voor hen.
He e'a mai te tau'a o tu'a, o te kao-kao, o te rua kao-kao; kai tikera e te hānau 'e'epe, 'ai ka taū nō te tau'a ki te hānau mo-moko o mu'a.
De hānau 'e'epe keken achterom en zagen dat de hānau mo-moko de weg hadden versperd.
'Ī ka hārui atu ena te hānau 'e'epe, ku puru 'ā te ara o te tau'a, ko te hānau mo-moko.
Ze zagen de hānau mo-moko achter zich; de hānau mo-moko luisterden niet, ze waren niet bang, maar gingen de confrontatie aan: Stuur de krijgers van achteren naar voren, stuur de krijgers van de zijkant naar voren, van Te Hakarava, stuur de krijgers van de andere kant naar voren, van Mahatua; ze troffen elkaar in het midden.
He rori te 'āriŋa ki te hānau mo-moko a tu'a; 'ina kai haka roŋo te hānau mo-moko, kai mataku, he patu mai; ka oho mai te tau'a a tu'a, ka oho mai te tau'a o te kao-kao, o Te Hakarava, ka oho atu te tau'a o te rua kao-kao, o Mahatua; vāeŋa i piri ai.
Toen de hānau 'e'epe aankwamen, joegen ze hen de gaten in; als stenen werden ze in het vuur gegooid, in de greppel van Iko.
He pahu-pahu te hānau 'e'epe a ohoŋa mai era; pa he tuna 'ā he hoa ki roto ki te ahi, ki Ava o Iko.
Het was met hen allemaal gedaan, de hānau 'e'epe stierven allemaal. De greppel werd gevuld en de goede geur van de dode hānau 'e'epe vulde de lucht.
He pae ananake, he mā-mate te hānau 'e'epe; he tī-tika riva-riva te ava; he puko'u te nehe o te hānau 'e'epe mā-mate.
Slechts drie mannen sprongen langs de hānau mo-moko en bleven in leven. Ze vluchtten, en de hānau mo-moko zetten de achtervolging in.
E toru nō i teki a ruŋa a te hānau mo-moko, i ora ai. He tē-tere mai, he tū-tute mai e te hānau mo-moko.
De drie hānau 'e'epe, Vai, Ororoine en (...) genaamd, gingen een grot in. De hānau mo-moko sloegen hen met stokken en één stierf.
He o'o ki roto ki te 'ana a to-toru ŋāŋata hānau 'e'epe, ko Vai, Ororoine, he 'oka-'oka e te hānau mo-moko hai akauve, he mate e tahi.
Ze sloegen opnieuw en een tweede man stierf.
He 'oka-'oka haka 'ou, he mate ka rua taŋata.
Eén hānau 'e'epe overleefde. Zijn naam was Ororoine. Hij vluchtte.
E tahi hānau 'e'epe i ora, ko Ororoine, he haka rere.
Toen de hānau mo-moko opnieuw sloegen, riep de hānau 'e'epe vanuit het water: ¡Orro, orro, orro!.
E 'oka-'oka atu era te hānau mo-moko, he raŋi mai te hānau 'e'epe mai roto mai te vai ki te hānau mo-moko: ¡Orro, orro, orro!.
Het was de taal van de hānau 'e'epe.
He vānaŋa o te hānau 'e'epe.
De hānau mo-moko lieten hem vluchten en zeiden:
He haka rere e te hānau mo-moko, he kī te hānau mo-moko:
Laat deze immigrant vluchten, zodat zijn volk nakomelingen zal hebben!
Ka haka rere atu te hō'ou mo haka rahi o tō'ona o te mahiŋo!.
Hij vluchtte.
He haka rere.
Toen de nacht gevallen was, kwam de hānau 'e'epe uit het water en rende naar Ma'uŋa To'a-to'a. Hij kwam bij het huis van een hānau mo-moko-vrouw die Pipihoreko heette. Ororoine bleef daar.
I pō era, he e'a mai roto mai te vai te hānau 'e'epe, he tere ki Ma'uŋa To'a-to'a, he tu'u ki te hare o te hānau mo-moko, te 'īŋoa ko Pipihoreko. I noho ai a Ororoine.
Hij sliep met de hānau mo-moko-vrouw. In de hānau mo-moko-vrouw werd een jongen verwekt, die afstamde van de familie Haoa.
He moe ki te vi'e hānau mo-moko, he tupu te poki tama'aroa o roto o te vi'e hānau mo-moko, o te 'ure o Haoa.
Ze werden talrijk, honderden.
He rahi te mahiŋo, ka kauatu, ka kauatu, ka rau, ka rau.
Een hānau 'e'epe-man kwam naar Tāhai.
He oho mai tētahi mahiŋo hānau 'e'epe ki Tāhai.
Daar ging hij zitten.
'I ira i [txt: I iri] noho ai.
Het schip van de kapitein (James Cook) kwam aan. De kapitein zag de hānau 'e'epe en gaf hem een glas wijn en eten. Hij at niet en dronk niet.
He tomo mai te miro o Kape, he tike'a e te Kape i te hānau 'e'epe, he va'ai i te kaha 'ava, i te kai ki te kai ki te hānau 'e'epe; 'ina kai kai, 'ina unu i te 'ava.
Hij nam de geschenken alleen aan en goot de wijn over zijn hoofd.
I to'o nō mai, he hopu, he huri ki te pū'oko i te 'ava.

Koning Tu'u Ko Ihu en de moai kava-kava

Opgetekend door Sebastián Englert
Gecorrigeerd en in het Rapa Nui uitgetypt door Paulus Kieviet in 2008
In 2013 in het Engels vertaald door Marcus Edensky

Moai kava-kava
Moai kava-kava

Op koning Hotu Matu'a na zijn de meeste koningen van Paaseiland vrij anoniem. Koning Tu'u Ko Ihu is een uitzondering. Hij is vooral beroemd geworden door de uitvinding van de zogenaamde moai kava-kava (ribbenmoai): houten, naakte beelden waarop de botten te zien zijn. Dit is de legende over hoe het allemaal ging.

Nederlands
Rapa Nui
Bij het ochtendgloren liep Tu'u Ko Ihu over de weg van Tore Tahuna en kwam bij Puna Pau aan.
He oho mai Tu'u Ko Ihu 'i te popohaŋa a te ara mai Tore Tahuna, he tu'u ki Puna Pau.
Hij zag Hitirau en Nuko te Maŋō terwijl ze sliepen.
He tike'a i a Hitirau, a Nuko te Maŋō, e ha'uru rō 'ā.
De koning bleef staan; hij keek aandachtig; er was geen vlees, geen lever, geen ingewanden, alleen botten.
He noho te 'ariki, he māroa; he u'i te mata, 'ina he kiko, 'ina he 'ate, 'ina he kōkoma, he ivi nō.
Hitirau lag met zijn hoofd naar rechts en Nuko te Maŋō met zijn hoofd naar links, met zijn voet bij het hoofd van Hitirau.
Ko Hitirau te pū'oko a te mata'u, ko Nuko te Maŋō a te maui, he va'e a te pū'oko o Hitirau.
De koning keek.
He u'i te 'ariki.
Een 'aku-'aku die Moaha heette, riep vanaf de heuvel, vanaf Taŋaroa: Word wakker, de koning heeft jullie ellendige lichamen gezien.
He raŋi mai e tahi 'aku-'aku ko Moaha mai ruŋa mai te ma'uŋa, mai Taŋaroa: Ka 'ara kōrua, ku tike'a 'ā to kōrua ika kino e te 'ariki.
Hij verdwijnt, hij verdwijnt, koning Tu'u Ko Ihu gaat weg.
'Ai ka ŋaro, 'ai ka ŋaro, he oho te 'ariki ko Tu'u Ko Ihu.
Hij riep opnieuw: Word wakker, slapers!.
He raŋi haka 'ou mai: ¡Ka 'ara, rava hā'uru kē, kōrua!.
Ze werden wakker en riepen: Wat?
He 'ara, he raŋi: ¿Pē hē rā?.
Tu'u Ko Ihu heeft jullie ellendige lichamen gezien.
Ku tike'a 'ā to kōrua ika kino e Tu'u Ko Ihu.
Toen ze weer ontwaakten, kregen de botten hun vlees terug en zagen ze eruit als levende mannen.
I 'ara haka 'ou era mai te ha'uru haŋa, he kiko haka 'ou te ivi era o ruŋa o te hakari, he tu'u pa he taŋata ora.
Ze liepen vooruit, draaiden zich om en gingen naar de koning toe.
He oho, he ao a mu'a, he pū a mu'a.
De koning zag de twee goede kameraden naderbij komen.
He u'i atu te 'ariki, ka tata mai te repa riva e rua.
Ze groetten: Gegroet, o koning! Welkom, o koning!
He 'aroha mai: ¡'Auē te 'ariki ē! ¡Ka oho mai e te 'ariki ē!.
De koning riep: Insgelijks, beste vrienden!.
He raŋi atu te 'ariki: ¡Ko kōrua 'ā, ko māhaki!.
De 'aku-'aku vroeg: Wat heb je gevonden toen je hier kwam?
He 'ui mai te 'aku-'aku: ¿Pē hē ta'a me'e piri, i oho mai ena koe?.
De koning zei: Niets.
He kī atu te 'ariki: 'Ina.
Ze verdwenen, en Tu'u Ko Ihu vervolgde zijn weg.
He ŋaro, 'ai ka oho nō a te ara Tu'u Ko Ihu.
Vier jongeren kwamen de koning tegen en riepen: Gegroet, beste koning, wees welkom!.
He pū haka 'ou mai hoko hā repa riva, he raŋi mai: "¡'Auē te Riki ē, koho mai!".
De koning riep: Insgelijks, jongens, kom toch dichterbij!
He raŋi atu te 'ariki: ¡Ko kōrua 'ana ko ŋā kope, ka oho mai!.
De 'aku-'aku vroeg: Ai, ai, ai, ai; dat wat jij weet!
He 'ui mai te 'aku-'aku: "¡Ai ai ai ai, ta'a me'e ma'a!".
De koning zei: Nee, ik weet niets.
He kī atu te 'ariki: 'Ina, 'ina he me'e ma'a.
De 'aku-'aku zei opnieuw: Heb je echt niets gevonden, o koning, toen je hier kwam?
He kī haka 'ou mai te 'aku-'aku: ¿'Ina 'ō he me'e piri ki a koe e te 'ariki ē, i oho mai ena koe?.
Tu'u Ko Ihu zei: Nee.
He kī atu Tu'u Ko Ihu: 'Ina.
De koning liep verder. Weer kwam hij jongeren tegen. De koning zag dat het er tien waren.
He oho haka 'ou te 'ariki, he pū haka 'ou mai a mu'a, he u'i atu te 'ariki ko te repa riva, e tahi te kauatu.
Er werd gezegd: Welkom, beste koning!
He 'aroha mai: ¡Ka oho mai, 'auē te 'ariki ē!.
Insgelijks.
Ko kōrua 'ana.
Ben je geen kameraden tegengekomen toen je hier kwam?
¿'Ina ŋā io i piri atu ki a koe, i oho mai ena e te 'ariki ē?.
De koning zei: Nee.
He kī atu te 'ariki: 'Ina.
De 'aku-'aku zei: Hij heeft onze ellendige lichamen niet gezien.
He kī te 'aku-'aku: 'Ina kai tike'a to tātou ika kino.
Ze verdwenen.
He ŋaro.
De koning liep verder, en toen hij dicht bij zijn huis in Haŋa Poukura kwam, verschenen er 'aku-'aku bij honderden, bij duizenden.
He oho te 'ariki, he tupu'aki ki te hare o Haŋa Poukura, he tata mai ka rau, ka rau, ka rau, ka pīere te 'aku-'aku.
Ze roepen: Gegroet, beste koning! Welkom terug uit je land, uit Tore Tahuna!
He raŋi mai: ¡'Auē te 'ariki ē, e Tu'u Ko Ihu ē, ka oho mai mai to'u kāiŋa, mai Tore Tahuna!.
Koning Tu'u Ko Ihu antwoordde: Insgelijks, beste mensen!
He haka hoki atu te 'ariki a Tu'u Ko Ihu: ¡Ko kōrua 'ā, ka oho mai, 'auē, te mahiŋo ē!.
Ben je niemand tegengekomen, beste koning?
¿'Ina 'ā me'e i piri ki a koe e te 'ariki ē?.
Nee.
'Ina.
De 'aku-'aku lachten blij, riepen blij en verdwenen.
He ka-kata, he koa, he taŋi te karaŋa, he ŋaro te 'aku-'aku.
De koning kwam bij zijn huis in Haŋa Poukura aan, ging naar binnen en ging naar bed.
He tu'u te 'ariki ki mu'a ki te hare o Haŋa Poukura, he uru ki roto ki te hare, he moe.
De 'aku-'aku kwamen opnieuw en bleven voor en achter het huis staan, en bij beide uiteinden van het huis.
Ku oho haka 'ou mai 'ā te 'aku-'aku, ku noho mai 'ā 'i te 'aro o te hare, 'i mu'a, 'i tu'a, 'i te tara o te hare, ararua tara.
Ze luisterden naar Tu'u Ko Ihu.
He haka roŋo mai ki te vānaŋa o Tu'u Ko Ihu.
Hij sprak niet.
'Ina kai vānaŋa.
Ze wachtten lang; de zon bereikte het hoogste punt.
He no-noho 'ā; he iri te ra'ā ka tini rō.
De koning sprak niet.
'Ina kai vānaŋa te 'ariki.
De 'aku-'aku zeiden: Hij heeft de ellendige lichamen van Hitirau en Nuko te Maŋō niet gezien; laten we hier weggaan.
He kī te 'aku-'aku: 'Ina kai tike'a te ika kino o Hitirau, o Nuko te Maŋō; matu tātou ki oho rō.
Het oor van koning Tu'u Ko Ihu hoorde dit.
E haka roŋo atu era te tariŋa o Tu'u Ko Ihu, o te 'ariki.
De aku-aku marcheerden, ze vertrokken. Het gevolg van Hitirau verspreidde zich, een gevolg van duizenden.
He paka te 'aku-'aku, he oho; he marere te pukuraŋa o Hitirau, ka pīere, ka pīere te pukuraŋa.
De koning sliep.
He ha'uru te 'ariki.
Een nieuwe dag brak aan. De middag brak aan.
He tu'u te ra'ā, he taha te ra'ā.
De dienaar van de koning zag de kleren van de koning op de grond liggen en de deur gesloten.
He tike'a e te tu'ura o te 'ariki, hokotahi nō ko te kahu mea, ku viri 'ā te papae.
Hij begreep dat koning Tu'u Ko Ihu in het huis lag te slapen.
He aŋi-aŋi, he 'ariki ko Tu'u Ko Ihu ha'uru 'i roto i te hare.
De dienaar maakte een vuur om yams en zoete aardappelen te koken.
He oho tou taŋata era, he tu'ura, he puhi te 'umu, he kā, he ta'o i te 'uhi, i te kūmara.
Bij zonsondergang opende de dienaar de kookkuil, deed het eten in een bak en liet het in het huis van de koning achter: Hé, beste koning, neem dit aan en eet!.
'I te ahi-ahi he ma'oa, he 'apa ki roto ki te tāropa, he to-toi, he oho mai, he haka uru ki te 'ariki: "Hē koe, e te 'ariki ē, ¡ka to'o, ka kai!".
Hij ging zitten en at. De nacht viel en de koning sliep.
He noho, he kai; he pō; he ha'uru te 'ariki.
Het was dageraad; de koning werd wakker.
He popohaŋa; he 'ara te 'ariki.
De dienaar maakte opnieuw vuur. Toen de zon op haar hoogste punt stond, bracht hij het eten naar binnen voor de koning.
He puhi haka 'ou te 'umu e te tu'ura; he tini te ra'ā; he haka uru haka 'ou i te 'umu ki te 'ariki.
De koning at.
He kai te 'ariki.
Het was zonsondergang en de zon was rood.
He ahi-ahi, ku mea-mea 'ā te ra'ā.
De koning ging naar buiten, naar de ingang van het huis.
He e'a te 'ariki ki haho ki te haha o te hare.
Hij zat buiten en zag drie jonge, mooie vrouwen.
He noho o haho, he u'i atu ko te uka e toru, uka riva.
Ze kwamen van de hoek van de ahu van Haŋa Poukura.
He oho mai mai te tara o te ahu o Haŋa Poukura.
De koning zag dat ze geen kleren aanhadden.
He u'i atu te 'ariki, 'ina he kahu.
Ze kwamen dichterbij tot ze voor de koning stonden.
He oho mai, he tu'u mai ki mu'a ki te 'aro o te 'ariki.
De koning groette: Welkom, vriendinnen, jullie mooie en zuivere van hart!
He 'aroha te 'ariki: "¡Koho mai kōrua ko ŋā kope, ka ma'itaki kōrua ŋā kope!".
De mooie jonge vrouwen antwoordden: Insgelijks, koning.
He haka hoki mai te uka riva: Ko te 'ariki 'ana.
Tu'u Ko Ihu zei: Waar gaan jullie heen, vriendinnen?
He kī Tu'u Ko Ihu: ¿Ki hē kōrua ko ŋā kope?.
De mooie vrouwen zeiden: Naar u, o koning!.
He kī mai te uka riva: "¡Ki a koe nei e te 'ariki ē!".
De koning vroeg: Hoe heten jullie?.
He 'ui atu te 'ariki: ¿Ko ai to kōrua 'īŋoa?.
De oudste mooie vrouw zei: Ik ben Pa'a-pa'a Hiro.
He kī mai te uka riva 'atariki: Au ko Pa'a-pa'a Hiro.
De tweede: Pa'a-pa'a Kiraŋi.
Te rua: Pa'a-pa'a Kiraŋi.
De derde jonge vrouw: To'o Tahe Turu mai te Raŋi.
Te toru uka: Ko To'o Tahe Turu mai te Raŋi.
Ze verdwenen omhoog de lucht in.
He ŋaro, a to-toru uka a ruŋa i ŋaro ai.
De nacht viel; de koning ging slapen.
He pō; he moe te 'ariki.
Midden op de dag hoorde de koning dat er een maaltijdceremonie was in 'Akahaŋa.
He 'ōtea; he haka roŋo te 'ariki, ku puhi 'ana te 'umu o 'Akahaŋa.
De koning ging op weg en kwam aan in 'Akahaŋa.
He oho te 'ariki, he tu'u ki 'Akahaŋa.
Hij haalde de hete stenen uit de kuil, nam het hout en gooide het opzij.
He uru te 'umu, he ketu i te tū-tuma, he hoa ki te tapa.
De koning riep tegen de mensen: Deze moeten met mij mee; gooi er water over!
He raŋi te 'ariki ki te taŋata: ¡Ka oho te me'e era ka pū-pū [txt: pūpú "rociar" - should this be rū-rū, or pī-pī?] hai vai!.
Het vuur werd gedoofd. De koning nam het brandhout dat voor de kookkuil bedoeld was en legde het op zijn schouder. Hij ging naar Haŋa Poukura.
He mate te ahi, he to'o mai te 'ariki i te tū-tuma kā ki te 'umu, he 'amo ki te ŋao, he oho ki Haŋa Poukura.
's Avonds ging de koning van Haŋa Poukura naar Tore Tahuna.
'I te pō he oho te 'ariki mai Haŋa Poukura ki Tore Tahuna.
Hij ging het huis binnen en ging slapen. Midden op de dag pakte hij de kautoki en nam hem in zijn hand. Hij nam het toromiro en sneed de ogen, hij sneed de neus, hij sneed de oren, hij sneed de keel, hij sneed de romp, hij sneed de handen, hij sneed de buik, hij sneed de ribben, hij sneed de dijen, hij sneed de schouders, hij sneed de knieën, hij sneed de hielen en hij sneed de voeten.
He o'o ki roto ki te hare, he moe; he 'ōtea; he to'o te kautoki, he ma'u ki te rima, he to'o mai i te toromiro he tarai i te mata, he tarai i te ihu, he tarai i te tariŋa, he tarai i te ŋao, he tarai i te uma, he tarai i te rima, he tarai i te kōpū, he tarai i te kava-kava, he tarai i te hūhā, he tarai i te papakona, he tarai i te taki 'eve, he tarai i te uho 'eve, he tarai i te hoto, he tarai i te horeko, he tarai i te puku, he tarai i te va'e.
De koning zag dat de eerste mōai Hitirau was, de mōai kava-kava.
He u'i te 'ariki, ko Hitirau te mōai ra'e, mōai kava-kava.
Hij maakte er nog een: Nuko te Maŋō, de mōai kava-kava.
He aŋa haka 'ou: ko Nuko te Maŋō, mōai kava-kava.
Hij maakte er nog een: Pa'a-pa'a Hiro.
He aŋa haka 'ou: ko Pa'a-pa'a Hiro.
Hij sneed er nog een: Pa'a-pa'a Kiraŋi.
He tarai haka 'ou: Pa'a-pa'a Kiraŋi.
Hij sneed nog een mōai: To'o Tahe Tu'u mai te Raŋi.
He tarai haka 'ou i te mōai: To'o Tahe Tu'u mai te Raŋi.
De koning nam een draad van mahute en vlocht die, en hij haalde hem onder beide oksels van de moai door
He to'o mai te 'ariki i te hau, hau mahute, he hiro, he haka uru a roto a te ha'iŋa ararua o te mōai.
Hij liet de moai aan de draad hangen.
He tau i te mōai, he haka re-reva.
Hij nam meer draad. Hij bond één draad aan de keel van de moai en een andere aan de voeten.
He to'o haka 'ou mai i te hau; he here e tahi hau ki te ŋao o te mōai, e tahi hau ki te va'e.
Ze hingen recht op een rij. Door met de hand aan de touwtjes te trekken, liet hij de moai lopen.
He papa, he haka uŋa; he haro mai e tahi potu o te hau, he ma'u ki te rima, he haka ha'ere i te mōai.
Het huis kreeg de naam: Het huis waar de moai worden laten lopen.
He nape te 'īŋoa o te hare: Ko te hare haka ha'ere mōai.
Mensen kwamen kijken en vertelden het verder aan anderen: de moai lopen in het huis van koning Tu'u Ko Ihu.
He oho mai te taŋata, he 'a'amu ki tētahi taŋata; ku ha'ere 'ā te mōai 'i roto i te hare o te 'ariki o Tu'u Ko Ihu.

De dood van koning Hotu Matu'a

Opgetekend door Sebastián Englert
Gecorrigeerd en in het Rapa Nui uitgetypt door Paulus Kieviet in 2008
In 2013 in het Engels vertaald door Marcus Edensky

Nederlands
Rapa Nui
Koning Hotu Matu'a woont in Akahanga, waar iedereen met water werkt.
He noho te 'ariki tama'aroa ko Hotu Matu'a 'i 'Akahaŋa, ananake te mahiŋo e aŋa i te vai.
De eerste zoon van Hotu Matu'a is Tu'u Maheke, de tweede zoon is Miru te Matanui, de derde zoon is Tu'u te Matanui en de vierde zoon is Hotu 'Iti te Mata'iti.
Te poki ra'e 'a Hotu Matu'a ko Tu'u Maheke, te rua poki ko Miru te Matanui, te toru poki ko Tu'u te Matanui, te hā poki ko Hotu 'Iti te Mata'iti.
De koning is oud geworden, dus gaat hij de vulkaan op om daar te blijven.
Ku korohu'a 'ā te 'ariki, he iri ki te rano, he noho 'i te rano.
De naam van het huis is Te Vare te Reiŋataki.
Te 'īŋoa o te hare ko Te Vare te Reiŋataki.
He to'o mai i te mā'ea ha-hati, he hono i te mā'ea ha-hati, he kī te 'ariki: "Ko te mā'ea hono 'a Hotu Matu'a"
Dit is zijn laatste werk1. De koning heeft pijn.
Aŋa mauŋa. He mamae te 'ariki.
Er komen mensen; eerst bij honderden, dan bij duizenden.
He oho mai te mahiŋo, ka rau, ka rau, ka pīere, ka pīere.
De koning zegt tegen zijn zonen: Kom dichterbij, ik ga sterven.
He kī te 'ariki ki tā'ana ŋā poki: Ka oho mai kōrua ananake, he mate au.
De zonen komen dichterbij. Ze komen bij Hotu Matu'a en groeten hem.
He oho mai te ŋā poki, he tu'u ki a Hotu Matu'a, he 'aroha.
De koning zegt: Wie ben je?.
He kī te 'ariki: ¿Ko ai koe?.
De oudste zoon zegt: Ik ben het, Tu'u Maheke.
He kī te poki 'atariki: Ko au nei, ko Tu'u Maheke.
De koning zegt: Niets zal jou ooit deren, mijn eerstgeborene! Veel is het zand in Anakena, in jouw land. Talrijk zijn de vlooien in jouw land.2
He kī te 'ariki: ¡'Ina koe e ko rava'a, e te 'atariki ē! 'One nui 'i 'Anakena, 'i tō'ou kāiŋa, kō'ura nui 'i tō'ou kāiŋa.
De eerstgeborene verlaat het huis. De tweede zoon, Miru te Matanui, komt binnen en groet.
He e'a te poki 'atariki ki haho, he uru te rua poki, ko Miru te Matanui, he 'aroha.
De koning zegt: Wie ben je?.
He kī te 'ariki: ¿Ko ai koe?.
Hij zegt: Ik ben het, Miru te Matanui, zoon van Hotu Matu'a.
He kī: "Ko au nei, ko Miru te Matanui 'a Hotu Matu'a".
De koning zegt: Niets zal jou ooit deren, zodat je voor je volk kunt zorgen.
He kī te 'ariki: 'Ina koe e ko rava'a, mo rō'ou o tō'ou mahiŋo.
De tweede zoon verlaat het huis.
He e'a ki haho te rua poki.
De derde zoon, Tu'u te Matanui, komt binnen en groet.
He uru te toru poki, ko Tu'u te Matanui, he 'aroha.
De koning zegt: Wie ben je?.
He kī te 'ariki: ¿Ko ai koe?.
Hij zegt: Ik ben het, Tu'u te Matanui, zoon van Hotu Matu'a.
He kī: Ko au nei, ko Tu'u te Matanui 'a Hotu Matu'a.
De koning zegt: Niets zal jou ooit deren. Talrijk zijn de kiezels in Hanga Tepau, talrijk zijn de schelpen in Te Hue..
He kī mai te 'ariki: 'Ina koe e ko rava'a, kī-kiri nui 'i Haŋa Tepau, pipi nui 'i Te Hue.
De zoon verlaat het huis.
He e'a te poki.
De jongste zoon, Hotu 'Iti te Mata'iti, komt binnen en groet.
He uru te haŋupotu ko Hotu 'Iti te Mata'iti, he 'aroha.
De koning vraagt: Wie ben je?.
He 'ui mai te 'ariki: ¿Ko ai koe?.
Hij zegt: Ik ben het, Hotu 'Iti te Mata'iti, zoon van Hotu Matu'a.
He kī atu: Ko au, ko Hotu 'Iti te Mata'iti 'a Hotu Matu'a.
De koning omhelst hem en kust hem op beide wangen.
He teki, he hoŋi i te kukumu, ararua pā'iŋa.
De koning weet dat hij een goede zoon is, een sterke zoon.
He aŋi-aŋi e te 'ariki poki riva-riva, poki hio-hio.
De koning zegt: Niets zal jou ooit deren, lieve Hotu 'Iti, lieve te Mata'iti, zoon van Hotu Matu'a! Er zijn niuhi tapaka'i in Motu Tōremo in Hiva en in jouw land!.3
He kī te 'ariki: "¡'Ina koe e ko rava'a e Hotu 'Iti ē, e te Mata'iti 'a Hotu Matu'a ē! He niuhi tapaka'i 'i Motu Tōremo Hiva 'i to'u kāiŋa".
De koning zegt: Ga hier zitten, mijn zonen, bij mijn hoofd, bij mijn voeten en naast mij.
He kī te 'ariki: Ka no-noho mai kōrua tā'aku ŋā poki, 'i tō'oku pu'oko, 'i tō'oku va'e, 'i te kao-kao.
Ze gaan zitten.
He no-noho.
De koning zegt tegen een aangenomen zoon: Ga naar Huareva om het laatste water te halen dat ik ooit zal drinken. Als ik dit water drink, zal ik sterven.
He kī te 'ariki ki tā'ana mā'aŋa hāŋai tama'aroa: Ka oho koe ki Huareva4 ki te vai mouŋa mā'aku mo unu. Ana unu au i te vai era, he mate au.
Hij gaat water halen en brengt het terug. Hij gaat het huis binnen en zet het water neer.
He oho, he to'o i te vai, he 'u-'utu i te vai, he ma'u, he oho ki roto ki te hare, he haka rere i te vai.
Koning Hotu Matu'a zegt: Help me drinken!.
He kī te 'ariki o Hotu Matu'a: ¡Ka haka unu mai!.
Toen ze hem hielpen drinken, slikte hij het water door tot in zijn maag.
I haka unu era, he horo i te vai ki roto ki te manava.
De koning spreekt opnieuw: Laat jullie oren naar mijn laatste woorden luisteren; ik zal roepen naar Hiva, naar ons vaderland en zijn koning.
He kī haka 'ou te 'ariki: Ka haka roŋo mai to kōrua tariŋa ki tā'aku vānaŋa mouŋa; he raŋi au ki Hiva, ki te kāiŋa, ki te 'ariki.
De zonen vertellen het aan iedereen.
He kī te ŋā poki ki te mahiŋo ananake.
De koning roept naar Hiva: O, Kuihi en Kuaha! Zing iets voor mij met de stem van de haan van Ariaŋe!.
He raŋi te 'ariki ki Hiva: ¡E Kuihi, e Kuaha! ¡Ka haka 'o'oa 'iti-'iti mai koe i te re'o o te moa o Ariaŋe!.
De haan zingt. De stem van de haan bereikt dit land vanuit Hiva: 'O'oa take heu-heu.
He 'o'oa mai te moa, mai Hiva, ka tu'u rō mai te re'o o te moa ki te kāiŋa nei: 'O'oa take heu-heu.
De koning sterft.
He mate te 'ariki.
Dit waren de laatste woorden van koning Hotu Matu'a.
Vānaŋa mouŋa o te 'ariki o Hotu Matu'a.

1) In het origineel staat mauŋa (heuvel/berg/vulkaan), maar het moet waarschijnlijk mouŋa (laatste) zijn.

2) De 'vlooien' zijn figuurlijk bedoeld, in dezelfde zin als "kō'ura tere henua" (over de aarde lopende vlooien), waarmee wij mensen worden bedoeld die over de aarde lopen. Koning Hotu Matu'a bedoelt dat het volk van Tu'u Maheke even talrijk zal zijn als de zandkorrels in Anakena.

3) Een niuhi is een soort vis die ongewoon dapper is. De betekenis van het woord tapaka'i is onbekend. Het lijkt erop dat de koning zijn jongste zoon vergelijkt met deze dappere vis en zegt dat die vissen zich bevinden in het deel van Rapa Nui dat Hotu 'Iti heet: het land dat aan deze zoon met dezelfde naam is toegewezen.

4) Huareva is een plek tussen 'Akahaŋa en Vaihū waar een waterput was gegraven.

Koning Tangaroa uit Hiva, die als zeehond op Rapa Nui aankwam, en zijn broer Hiro

Opgetekend door Fritz Felbermayer
Gecorrigeerd en in het Rapa Nui uitgetypt door Paulus Kieviet in 2008
In 2013 in het Engels vertaald door Marcus Edensky

Tangaroa is een figuur die in verschillende Polynesische culturen voorkomt. In de legendes van Rapa Nui verschijnt hij als een koning uit Hiva die het land Rapa Nui bereikt in de gedaante van een zeehond. Hij heeft een broer die Hiro heet. Beide broers hebben sterke magische krachten.

Nederlands
Rapa Nui
Koning Tangaroa en zijn broer Hiro woonden in Hiva.
'I Hiva te nohoŋa o te 'ariki ko Taŋaroa rāua tō'ona taina ko Hiro.
Beide broers hadden mana.
Ararua taina e ai rō 'ā te mana.
Tangaroa had een vermomming van visschubben, een schildpadschedel en zeehondenhuid.
A Taŋaroa e ai rō 'ā te nua 'ūnahi ika, pakahera honu, e kiri pakia.
Hiro trok een vermomming van vogelveren aan.
A Hiro he uru i te nua huru-huru manu.
De twee broers vochten elke dag fel met elkaar.
Ararua taina me'e haka kē te rava tātake, te mahana te mahana.
Als Tangaroa won, werd de oceaan woest.
Ana rē Taŋaroa, he rake-rake te vaikava.
De oceaan werd woest.
He ketu te vaikava.
De bliksem flitste, de donder rommelde.
He 'anapa te 'uira, he heruru te hatutiri.
De kracht van Tangaroa kwam uit de oceaan.
Te mana o Taŋaroa mo te vaikava.
Als Hiro won, klaarde de lucht op.
Mo rē o Hiro, he ma'itaki te mahana.
De kracht van Hiro kwam uit het land.
Te mana o Hiro mo ruŋa i te henua.
Op een dag zei Tangaroa tegen Hiro:
E tahi mahana he kī Taŋaroa ki a Hiro:
Ik zal als tonijn de oceaan in gaan. Ik ga naar een nieuw land om er als koning te heersen.
He uru au ki roto i te vaikava pa he kahi. He oho au ki te henua e tahi mo 'ariki.
De broer antwoordde:
He haka hoki atu te taina:
Ga niet naar een ver land, anders zul je sterven.
'Ina koe ko oho ki te henua roa 'o mate rō.
Tangaroa zei: Nee. Ik zal dat land bereiken en nog dezelfde dag terugkeren, als ze mij niet mogen.
He kī Taŋaroa: 'Ina. E tu'u nō ki rā henua mo oho e hoki mai 'anīrā nei 'ā, ana ta'e haŋa mai ki a au.
Hiro werd boos en de twee broers begonnen opnieuw te vechten.
He riri Hiro, he rake-rake haka 'ou ararua taina.
Tangaroa won.
I a Taŋaroa i rē ai.
Tangaroa ging het water in en veranderde zichzelf in een tonijn.
He uru Taŋaroa ki roto i te vai, he haka riro pa he kahi.
Hij zwom naar de Navel van de Wereld.
He kau ki Te Pito o te Henua.
Hij bereikte een punt waar hij veranderde in een schildpad.
E oho era i tano era te roa, he haka riro pa he honu.
Hij zwom verder. Toen hij de Navel van de Wereld bereikte, veranderde hij in een zeehond.
He kau haka 'ou, i tu'u era ki Te Pito o te Henua, he haka riro pa he pakia.
Hij naderde Hotu 'Iti en zwom (de baai) binnen voor Ahu Tongariki.
He hāhine a Hotu 'Iti, he tomo a mu'a o te Ahu Toŋariki.
Toen hij binnenkwam, verzamelden de mensen zich aan de rand van de oceaan.
I tomo atu era, he oho mai te taŋata he taka-taka 'i te tapa o te vaikava.
Er werd een boodschap gestuurd naar de mensen van Tongariki en Poike.
He uŋa he hā'aki ki te taŋata o Toŋariki, o Pōike.
Er werd een boodschap gestuurd naar de mensen van Tongariki. De mensen van Orongo werden geroepen.
He uŋa he hā'aki ki te taŋata o Toŋariki, he ohu ki te taŋata o 'Ōroŋo.
De mensen van Tongariki zeiden:
He kī te taŋata o Toŋariki:
Er is een zeehond binnengekomen voor ahu Tongariki. Hij heeft het lichaam van een zeehond, de staart van een zeehond, het hoofd van een man en de handen van een man.
Ku tomo 'ā te pakia a mu'a i te ahu Toŋariki. Hakari pakia, hiku pakia, pū'oko taŋata, rima taŋata.
Ze sleepten hem aan land om hem te doden.
He to-toi mai ki 'uta mo tiŋa'i.
De zeehond riep:
He raŋi mai te pakia:
Ik ben geen zeehond. Dood me niet. Ik ben een koning en heet Tangaroa.
Ta'e au he pakia. 'Ina ko tiŋa'i mai. He 'ariki au ko Taŋaroa.
De mensen juichten: Het is een zeehond met de stem van een man.
He vo'u te karaŋa 'i te taŋata: Pakia re'o taŋata.
Ze doodden hem met een steen en sleepten hem landinwaarts.
He tiŋa'i hai mā'ea, he to-toi mai ki 'uta.
Ze groeven een grote aardoven.
He keri te 'umu ko tetu.
Ze bliezen en de oven ging branden. Ze legden het zeehondenvlees in de kuil om het te garen.
He puhi te 'umu, he tutu, he uru, he ta'o te kiko pakia.
De aardoven werd met aarde bedekt.
He tanu te 'umu hai 'ō'one.
Ze wachtten lang voordat ze de aardoven openden.
He tiaki ka roa te nohoŋa, he ma'oa te 'umu.
Ze zagen dat het vlees van deze zeehond nog rauw was.
He u'i, e ora nō 'ā te kiko o tou pakia era.
Ze brachten het naar een andere plek en maakten opnieuw een aardoven.
He ma'u ki te kona kē, he ta'o haka 'ou.
Toen ze de aardoven openden, zagen ze dat het vlees nog bijna rauw was. Het was niet gaar.
I ma'oa era, he u'i, re'e-re'e 'ā te kiko. 'Ina kai 'ō'otu.
De plek kreeg de naam Re'e.
He nape ko Re'e.
Ze brachten het naar een andere plek om het in een aardoven te bereiden.
He tari haka 'ou mo ta'o 'i roto i te 'umu.
Ze wachtten tot het de juiste tijd was en openden toen de aardoven.
He tiaki ka tano rō, he ma'oa te 'umu.
Ze keken en zagen dat het niet gaar was geworden. Het vlees was rauw, het was niet gaar.
He u'i, kai 'ō'otu, 'i-'ino te kiko, kai 'ō'otu.
De plek waar de aardoven was gemaakt, kreeg de naam 'Ī-'ī.
He nape ko 'Ī-'ī te kona ta'o 'umu.
Ze begrepen dat ze zich hadden vergist.
He aŋi-aŋi pē nei ē: ku hape 'ā rāua.
Ze zeiden:
He kī te taŋata:
Nu is het echt duidelijk: hij was een koning. Hij was Tangaroa, geen zeehond; het vlees wordt niet gaar.
He aŋi mau 'ā pē nei ē: he 'ariki. Ko Taŋaroa, ta'e he pakia; te kiko kai 'ō'otu.
Toen Tangaroa niet in Hiva terugkwam, kwam Hiro hierheen om Tangaroa te zoeken.
I ta'e tu'u haka 'ou era Taŋaroa ki Hiva, he oho mai Hiro kimi i a Taŋaroa.
Met zijn lange benen bereikte hij de Navel van de Wereld in slechts zeven stappen.
'I te va'e ro-roa, e hitu nō rao haŋa i tu'u rō mai ai ki Te Pito o te Henua.
Toen hij in dit land aankwam, riep hij:
I tu'u era ki te henua nei, he ohu:
Waar is mijn broer Tangaroa?
¿'I hē tō'oku taina ko Taŋaroa?
De mannen van Tongariki, Poike en Orongo verstopten zich.
He kio te taŋata o Toŋariki, te taŋata o Pōike, te taŋata o 'Ōroŋo.
Hij zette één voet op het land.
He rao e tahi va'e a ruŋa i te henua.
Hij verliet de Navel van de Wereld.
He oho rō 'ai mai Te Pito o te Henua.
Hij was zo groot dat zijn hoofd de zon verduisterde toen hij zijn voet op de grond zette.
He taŋata nui-nui, te va'e 'i ruŋa i te henua 'ā, te pū'oko ku poā 'ā ki te raŋi.
Hij zocht zijn broer, vertrok en kwam nooit meer terug.
He kimi he oho i te tō'ona taina, kai reva-reva haka 'ou mai.

Make-Make schept de mens

Opgetekend door Sebastian Englert
Verteld door Arturo Teao Tori
In 2014 in het Engels vertaald door Marcus Edensky

Dit is de legende over hoe de god Make-Make de mens schiep.

Nederlands
Rapa Nui
Make-Make was alleen; dat was niet goed.
He noho Make-Make hokotahi nō, 'ina kai riva.
Hij pakt een waterbak en kijkt erin.
He to'o mai i te kaha vai, he u'i a roto a te kaha vai.
De schaduw van Make-Make kwam in het water.
He o'o te kohu o Make-Make ki roto ki te vai.
Make-Make zag hoe de schaduw van zijn gezicht in het water was gekomen.
He u'i Make-Make ko tō'ona kohu 'āriŋa ku o'o 'ā ki roto ki te vai.
Make-Make groet zijn schaduw en zegt: "Gegroet, vriend! Wat ben je mooi, net als ik".
He kī Make-Make, he 'aroha ki tō'ona kohu: "¡'Auē repa hē! Ka ma'itaki koe ki a au".
Er ging een vogel op de rechterschouder van Make-Make zitten.
He papakina mai te manu ki te hoto mata'u o Make-Make. He veveri Make-Make, he u'i me'e ŋutu me'e karā, me'e huru-huru.
Make-Make schrok en zag dat het een wezen was met een snavel, vleugels en veren.
He veveri Make-Make, he u'i me'e ŋutu me'e karā, me'e huru-huru.
Make-Make verenigde de vogel met de schaduw en liet hem gaan.
He to'o mai e Make-Make, he haka piri, he haka rere.
Make-Make ging zitten en dacht na over het scheppen van de mens: hij wilde de mens op zichzelf laten lijken, hem een stem geven en hem laten spreken.
He noho, he mana'u Make-Make mo aŋa i te taŋata, mo tu'u pē ia, mo rere mai o te re'o, mo vāna-vanaŋa.
Make-Make bevruchtte de rotsen, maar dat liep niet goed af: het mislukte.
He tuki Make-Make ki roto ki te mā'ea: 'ina kai riva-riva; iho-iho kiko mea, me'e rake-rake.
Hij bevruchtte opnieuw, deze keer het water. Het resultaat was de vis paroko.
He tuki haka 'ou ki roto ki te vai; i ava, i pāro-paroko.
Hij bevruchtte opnieuw, deze keer de aarde. De mens werd geboren.
He tuki haka 'ou Make-Make ki te 'ō'one rapo; he poreko mai te taŋata.
Make-Make zag dat het resultaat goed was.
He u'i Make-Make ku riva-riva 'ā.
Make-Make keek beter en besefte dat het resultaat niet genoeg was, omdat de man alleen was.
He u'i haka 'ou Make-Make kai riva-riva i horeko.
Hij liet de man in zijn huis slapen.
He haka ha'uru i te taŋata 'i roto i te hare.
Toen hij sliep, kwam de god Make-Make en bevruchtte de ribben aan de linkerkant.
Ki ha'uru he oho atu te 'Atua a Make-Make, he tuki ki roto ki te kava-kava maui.
Er werd een vrouw geboren.
He poreko mai te vi'e.
Make-Make zei: "¡Vivina, vivina, haka piro e ahu ē!".
He kī a Make-Make: "¡Vivina, vivina, haka piro e ahu ē!".