Scheepsjournaals van de reis van kapitein Don Felipe González in 1770

Op deze pagina
  1. Officier Don Francisco Antonio de Agüera y Infanzon, opperstuurman
  2. Onderluitenant Don Juan Hervé, eerste stuurman, of eerste navigatieofficier, van de San Lorenzo

Dit zijn de journaals van de reis van de Spanjaard Don Felipe González in opdracht van Zijne Excellentie Señor Don Emanuel de Amat, onderkoning van Peru. De expeditie vertrok uit Lima, Peru, met het schip van Zijne Majesteit, de San Lorenzo, onder bevel van commandeur Don Felipe González, en het fregat Santa Rosalia, onder kapitein Don Antonio Domonte. Rapa Nui, toen het eiland van David genoemd, werd tijdens deze expeditie door Spanje geannexeerd. Spanje vergat deze annexatie al snel, omdat Rapa Nui zo ver weg ligt en omdat Spanje geen voordeel zag in het bezit van dit eiland.

Officier Don Francisco Antonio de Agüera y Infanzon, opperstuurman

Getranscribeerd, vertaald en bewerkt door Bolton Glanvill Corney. Gepubliceerd in 1908.

Bronbestand (.pdf): The voyage of Captain Don Felipe González to Easter Island 1770-1 p. 181–196

Oude kaart (1770) van Paaseiland (Rapa Nui) door officier Don Francisco Antonio de Agüera y Infanzon
Kaart van Rapa Nui, in 1770 getekend door officier Don Francisco.

Donderdag de 15e. Om vijf uur 's morgens gingen wij onder zeil, met alle zeilen bij, en vuelta de uno, terwijl de horizon bewolkt was; maar om half acht klaarde het op en kregen wij recht vooruit land in zicht.

Op deze positie peilde de oostpunt van het eiland west, ware peiling; en bij het uitrekenen van de afgelegde afstand sinds de waarneming van 12 uur bevond ik mij op 27° 2' breedte, en dat zou de ware positie van de oostpunt van het eiland van David moeten zijn, wat de breedte betreft2; en wat de lengte betreft: daar ik mij vandaag om 12 uur op 267° 2' van Tenerife bevond, en wij met zeer geringe afwijking op dezelfde meridiaan hadden gezeild, bleef er slechts één mijl verschil over, rekening houdend met de afstand die wij van het land af lagen. Ik zeg derhalve dat volgens mijn berekeningen, zoals tijdens de overtocht uitgewerkt, de meest oostelijke punt van het eiland van David ligt op 27° 2' zuiderbreedte en 267° 1' lengte van Tenerife, en dus ten opzichte van het eiland San Lorenzo voor Callao peilt W.Z.W. 6° Z. en O.N.O. 6° N.O., op een afstand van 625 mijlen van 20 op de graad; en 38° west van de meridiaan van Copiapó ligt, en derhalve 680 mijlen van het Chileense vasteland. Het profiel van het eiland dat naar het oosten gekeerd is, strekt zich uit over zo'n 14 à 16 mijl, en de zuidelijke en noordelijke punt liggen O.N.O. en W.Z.W.2

1) De werkelijke positie ligt 4 ½ mijl zuidelijker en 22 mijl oostelijker, met Kaap O'Higgins als referentiepunt.

2) Deze peilingen moeten waarschijnlijk worden omgedraaid, of de woorden 'zuidelijke' en 'noordelijke' verwisseld.

Nadat wij de noordelijkste punt waren gepasseerd, kwam een andere baai in zicht, die zich naar het W.N.W. insneed en geschikter leek dan de eerste: wij brasten de ra's tegen en de commandeur liet zijn boot strijken en zond die gewapend naar de genoemde baai, terwijl hij ons seinde hetzelfde te doen. Om half vijf 's middags vertrok onze boot met Don Juan Bentuza1 Moreno, kapitein der Batallones, en de adelborst Don Joseph Morales, begeleid door twaalf soldaten, een sergeant en twee korporaals, voorzien van munitie. Ook de kustloods van het fregat en een stuurmansmaat gingen aan boord, met de instrumenten van hun vak, en koersten naar de baai, waar de boot van de commandeur al aan het loden was. Wij bleven met weinig zeil liggen en hielden korte slagen af en aan, in afwachting van de terugkeer van de verkenningsgroep, die zich bij zonsondergang terugtrok, terwijl wij aan boord tot voorbij het midden van de baai opliepen om hen tegemoet te gaan. Wij zagen veel inboorlingen op het strand. De ankerplaats die zij vonden is geheel onbeschut en de bodem is van slechte kwaliteit. Wij brachten de nacht door met weinig zeil, en draaiden soms bij, terwijl wij ter hoogte van de baai bleven.

1) 'Juan Bentuza' is kennelijk een vergissing van de kopiist voor Buenaventura.

Vrijdag de 16e. Bij zonsopkomst nam ik de miswijzing van de naald waar en noteerde 2° 30' naar het N.O.

Vanmiddag begon ik de baai te loden, en de bodem die wij aantroffen is niet de beste om de veiligheid van de schepen te verzekeren.

1) Een estadal of estada is gelijk aan vier varas van ongeveer 33 inch elk, d.w.z. 11 voet.

Zaterdag de 17e. De wind bleef zwak van N.O. tot N. Vandaag kwam een groot aantal inboorlingen van beide seksen aan boord van de twee schepen; wij vonden hen zeer openhartig en innemend; de meesten brachten bakbananen, wortels, kippen enz. mee, en boden gretig de armzalige lapjes kleding en andere goederen aan die zij bij zich hadden, tot zij niets meer overhielden dan een ellendige lendendoek van vezel of katoen of iets dergelijks, met een diadeem of kroon of pluim van hanenveren of gedroogd zeewier. De vrouwen dragen dezelfde kleding en bedekken, als onderscheid van hun sekse, het hoofd met een merkwaardig bouwsel van palmblad [ojas] of fijne biezen. Zij zijn, net als de mannen, opdringerig in het bedelen; maar allen staan zij met dezelfde openhartigheid af wat zij bezitten, en de vrouwen gaan zo ver dat zij met uitnodigende gebaren alle eerbewijzen aanbieden die een hartstochtelijk man maar kan verlangen. Ook lijken zij daarin naar de mening van hun mannen niet over de schreef te gaan; want deze bieden hen zelfs aan om ons attent te bejegenen. Daar wij geen gelegenheid hadden te onderzoeken welke gebruiken zij in huwelijkszaken [voortplanting] in acht nemen, kan alleen worden afgeleid dat de vrouwen die wij zagen onder hen gemeenschappelijk zijn, hoewel wij opmerkten dat de oudere en voornamere mannen daarin enige voorrang behouden, daar zij het altijd zijn die hen vergezellen en aanbieden, en aan wie de vrouwen gehoorzamen, en niet aan de jongere mannen, met wie wij hen nooit in gezelschap hebben gezien. Zodat men bij de jongemannen en jonge vrouwen een zediger gedrag opmerkt dan bij de ouderen.

De meisjes zijn van nature zedig, want met al hun naaktheid weten zij altijd de borsten enz. zoveel mogelijk te bedekken.

1) De Castiliaanse palmo of span is gelijk aan 8 1/3 inch.

Wij hebben hun dapperheid nooit op de proef gesteld gezien, maar ik vermoed dat zij weinig moed hebben; zij bezitten geen wapens, en hoewel wij bij sommigen verscheidene wonden op het lichaam zagen, waarvan wij dachten dat ze door snijwerktuigen van ijzer of staal waren toegebracht, bleken ze afkomstig van stenen, die hun enige [wapens ter] verdediging en aanval zijn, en daar de meeste daarvan scherpe randen hebben1, veroorzaken zij het genoemde letsel.

1) Obsidiaan.

Bij wijze van proef maakte ik een boog met pijl, behoorlijk bespannen, en toen ik die aan een van degenen met de littekens gaf, zette hij hem terstond als sieraad op zijn hoofd en hing hem toen met grote vreugde om zijn hals, geheel onwetend van het gebruik en de werking ervan. Hetzelfde deden zij met een mes en met een houwer, die zij onverschillig bij de punt of bij het gevest vastpakten.

Zij lijken mij dienaren of priesters voor hun afgoden te hebben; want ik merkte op dat op de dag dat wij de kruisen oprichtten, toen onze kapelaans de heilige beelden begeleidden, gekleed in hun soutanes en koorhemden en de litanieën zingend, talrijke inboorlingen op het pad naar voren traden en hun mantels aanboden, terwijl de vrouwen hennen en kuikens aanboden, en allen Maca Maca riepen en hen met grote eerbied behandelden, tot zij voorbij de rotsen waren die het pad dat zij volgden versperden.

1) De Castiliaanse palmo of span is gelijk aan 8 1/3 inch. 8 ½ palmos komt dus overeen met 6 voet min een inch.

2) 6 voet 5 inch.

3) 6 voet 6 ½ inch.

Zondag de 18e. De inboorlingen bleven in grotere aantallen dan op de voorgaande dagen aan boord komen, zodat er op deze dag meer dan 400 op het fregat zijn geweest. Mannen en vrouwen samen kwamen in zulke drommen dat het nodig werd sommigen weg te sturen om plaats te maken voor anderen, daar wij ze niet allemaal aan boord konden houden. Vandaag om 12 uur nam ik met de grootste zorg de breedte van deze baai waar, die ik bevond 27 26' te zijn; en op deze zelfde dag begon ik er een schets van te maken, met omtrek en aanzichten en nauwkeurige dieptelodingen, om er een zo nauwkeurig mogelijke kaart van te maken, die in de toekomst als gids en vastlegging kan dienen; al moet gezegd worden dat het door zekere belemmeringen niet mogelijk was aan wal een basislijn voor trigonometrische metingen uit te zetten.

Maandag de 19e. Om 10 uur in de voormiddag kwamen onze barkassen vanuit het oostelijke deel van het eiland in zicht, en onze sloep werd aangewezen om de onze op sleeptouw te nemen, daar zij de wind tegen had. De commandeur deed hetzelfde voor de zijne. Onze barkas kwam om één uur 's middags langszij, met al haar mensen, nadat zij het eiland geheel rond was gevaren; en zo werd het volgende verslag verkregen.

In de middag van deze dag brak tijdens een regenbui met weinig wind uit het Z.W. ons ankertouw, dat tegen een koraalrots volledig was doorgeschuurd; brokstukken daarvan kwamen mee naar boven, vastgeklemd tussen de strengen van de twee gebroken einden. Wij brachten de avond door met voorbereidingen voor de volgende dag, waarop wij formeel aan land zouden gaan en het eiland in bezit zouden nemen, en er drie kruisen zouden oprichten die daartoe aan boord van de commandeur gereed waren gemaakt.

Dinsdag de 20e. De dag brak aan met een betrokken horizon, de wind zwak uit het O.Z.O. met af en toe windstoten; maar de commandeur besloot de voorgenomen expeditie niettemin uit te voeren, en daartoe werden 250 man, soldaten en zeelieden, aangewezen om aan land te gaan, goed bewapend en onder bevel van Don Alberto Olaondo, eerste luitenant en kapitein der mariniers, met andere officieren en onderofficieren, en met de opdracht landinwaarts naar de westkant van het eiland te trekken om het omliggende land te verkennen en de aandacht van de inboorlingen die kant op te trekken, terwijl de drie voornoemde kruisen werden opgericht op drie heuveltjes aan het oostelijke uiteinde.

Deze voorzorg werd niet genomen uit vrees dat de inboorlingen zich tegen de uitvoering [van ons plan] zouden verzetten, maar alleen om het tumult te vermijden waarmee zij bij al hun bezigheden te werk gaan, want zij zouden ons zozeer in de weg hebben gelopen dat wij aanzienlijk vertraagd zouden zijn. Terwijl de barkassen en boten de eerste afdeling mensen naar de kust brachten, werd de tweede groep gereedgemaakt, even groot, onder bevel van Don Buenaventura Moreno, eerste luitenant en kapitein der mariniers, met de nodige officieren, onder wie ik op bevel van de commandeur werd opgenomen, om de juiste merktekens en basislijnen vast te leggen voor het maken van de nauwkeurigste plattegrond en de getrouwste kustlijn van deze baai, en om de posities van de opvallendste hoogten van het eiland te bepalen.

Toen de boten van de eerste groep terugkeerden, vertrokken wij in dezelfde orde, begeleid door troepen van dit fregat, en vergezelden de drie kruisen met wapperende vaandels en slaande trom. Op deze wijze en in uitstekende orde kwamen wij aan bij een kleine baai die naar het oosten ligt en voor de ontscheping was uitgekozen, omdat zij in de hele rede het enige geschikte stuk strand bezat. Wij landden hier zonder enig beletsel en werden ontvangen door een aanzienlijke menigte inboorlingen, die grote vrolijkheid aan de dag legden, met veel geschreeuw. Toen de groep zich met de gewapenden had opgesteld, zetten wij ons in marsorde, vergezeld door de inboorlingen, die gewillig hielpen de kruisen te dragen en onderweg op hun wijze zongen en dansten. Wij maakten met enige moeite de hele omtrek van de baai, want de grond was ruw en oneffen, hoewel vlak, terwijl zich al die tijd een groot gevolg van inboorlingen om ons heen verzamelde, tot aan de voet van de helling, waar de meesten ons verlieten vanwege de lastige en langdurige klim. Om half twee kwamen wij aan op de plaats waar de kruisen moesten worden opgericht, en dit werd met grote vreugde voltooid, na de zegening en aanbidding van de heilige beelden door de hele menigte, waarop de inboorlingen, toen zij dit zagen, dezelfde ceremonie uitvoerden. Toen de kruisen op hun respectieve heuveltoppen waren geplant, werd de Spaanse vlag gehesen, en nadat de troepen onder de wapenen in de houding waren gebracht ('Geef acht!'), nam Don Joseph Bustillo, tweede kapitein, met de gebruikelijke plechtigheden bezit van het eiland San Carlos in naam van de koning van Spanje, onze heer en meester Don Carlos de Derde, op deze dag, 20 november 1770. De handeling werd met de vereiste formaliteiten behoorlijk bekrachtigd; en ter meerdere bevestiging van zo'n ernstige daad ondertekenden of bekrachtigden enkele van de aanwezige inboorlingen het officiële document door er bepaalde tekens in hun eigen schrift op te zetten. Toen brachten wij zevenmaal een hoera uit voor de koning, waarop een drievoudig musketsalvo van de hele groep volgde, en ten slotte saluteerden onze schepen met 21 kanonschoten. Toen de plechtigheid was afgelopen en alle manschappen weer in marsorde stonden, keerden wij terug naar dezelfde plaats waar wij waren geland, en waar onze barkassen en boten gereedlagen. Daarin werden wij aan boord gebracht, en alle officieren boden vervolgens een voor een hun gelukwensen aan de commandeur aan, die toen de volgende dag vaststelde voor het vertrek uit de baai, daar zijn opdracht daar nu gelukkig was volbracht.

Het behoeft geen betoog dat de eilanders doodsbang waren voor het lawaai van het geschut en de musketten: dat moet wel gebeuren bij mensen die zulke uitvindingen niet hebben gebruikt of gezien.

Ik meen dat de mantels of omslagdoeken van de genoemde eilanders worden gemaakt van de vezels van de stengels van de bananenplant, die zij, eenmaal droog, samenvoegen zoals het hun doel past1: het is niet geweven, maar wordt verbonden met draden van hetzelfde materiaal, die zij op benen naalden rijgen ter grootte van een mantelmakersnaald. Van dezelfde vezel maken zij vislijnen, en ook netten op de wijze van onze kleine netten; maar van weinig sterkte.

Zij hebben zeer weinig hout; maar als zij bomen zouden planten, zou er geen gebrek aan zijn; en ik geloof dat zelfs de katoenplant er zou gedijen, daar het land zeer gematigd is: en tarwe, tuingewassen, moeskruiden enz. Zij verven hun mantels geel.

Op de 21e om 12 uur kozen wij zee vanaf dit eiland van David: wij zeilden zo'n 70 mijlen naar het westen om te zien of er in die richting nog meer land lag.

Onderluitenant Don Juan Hervé, eerste stuurman, of eerste navigatieofficier, van de San Lorenzo

Getranscribeerd, vertaald en bewerkt door Bolton Glanvill Corney. Gepubliceerd in 1908.

Bronbestand (.pdf): The voyage of Captain Don Felipe González to Easter Island 1770-1 p. 208–218

Op de 15e om vijf uur 's morgens zetten wij alle zeilen bij, en om zeven uur kregen wij een eiland in zicht in het N.W. van ons, op 8 à 10 mijlen afstand. Wij koersten erheen, en toen wij ons op zo'n drie mijlen van de oostkust bevonden, zagen wij dat die geheel steil en rotsachtig was, waarom wij om 12 uur besloten af te houden naar de noordkant om te zien of wij daar een haven konden vinden. Op dat moment werd onze positie door waarneming vastgesteld op 27° 15' zuiderbreedte en 264° 20' lengte, zodat de andere punt1 op 27° 06' zuiderbreedte moet liggen, en dus 34 10' ten westen van de meridiaan van Callao, gemeten langs de boog, of het equivalent van een koorde van 30° 30'. Aan dit eiland gaven wij de naam San Carlos, naar de regerende koning.

Vanaf 6 november 82, de dag waarop wij de stormvogels zagen, tot wij het eiland San Carlos bereikten, stuurden wij W. over een afstand van 86 mijlen, en de sterns werden over dezelfde afstand in dezelfde tijd gezien.

1) D.w.z. de N.O.-punt van het eiland.

2) Dit kan een vergissing van de kopiist zijn. De dag waarop de stormvogels werden genoteerd was de 10e. Agüera vermeldt ze in zijn journaal op de 12e als de vorige dag aangetroffen. Gonzalez zelf noemt ze niet in zijn logboek.

Vanaf de 13e van genoemde maand, toen wij zoveel vogels zagen, en daaronder de witte en de eerste daarvan, bleven wij W. zeilen over een afstand van 32 mijlen; en vanaf het moment dat wij de strandlopers [chorlitos] zagen tot aan het eiland zeilden wij 10 mijlen, zodat het eiland, toen wij ze zagen, op 13 ½ mijlen in het N.W. van ons lag; daarom zeilden wij die koers nadat wij de strandlopers en het eiland in zicht hadden gekregen: deze opmerkingen zijn alleen van belang voor zeevaarders.

Op de 16e om half zes 's morgens vertrok ik met de kotter van de scheepszijde en nam positie in waar de ankerplaats voor de boten was, om als merkteken voor het schip te dienen, dat binnenkwam en het anker liet vallen op 35 £ vadem, grof zand; en nadat een tweede anker op 50 vadem was uitgebracht, zwaaide het met 28 onder de kiel, dezelfde bodem. De geleidemerken voor deze positie zijn het kleine zadelvormige heuveltje in Z. 3° W., met Kaap San Lorenzo in O. 1/4 Z.O. 3° O. volgens de naald, die hier 3° noordoostelijke miswijzing heeft.

Terwijl ik zoals boven vermeld als baken dienstdeed en de komst van het schip afwachtte, zwommen drie inboorlingen naar ons toe, [hun lichamen] in verschillende kleuren beschilderd, en bleven dicht bij de boot, voortdurend roepend, tot een van hen ten slotte zo dichtbij kwam dat hij mij een stukje yam aanbood: ik gaf hem wat scheepsbeschuit en tabak, wat hij allemaal aannam. Hij droeg zijn proviand in een tasje dat netjes van fijn stro was gevlochten. Toen het schip voor anker kwam, gingen deze drie weer naar de kust, maar keerden met nog een vierde zwemmend terug en gingen recht op het schip af, waarop zij met grote behendigheid aan boord klommen, al die tijd roepend en vol uitgelatenheid. Zij liepen vrijelijk van voor- tot achtersteven rond, vol vrolijkheid, en klauterden als matrozen in het want. [Ons volk] speelde de coxa en de fluit voor hen, en zij begonnen te dansen, met zichtbaar groot genoegen. Zij kregen linten, hemden, broeken, matrozenkielen en kleine vergulde metalen kruisjes: zij namen alles met blijdschap aan; de scheepsbeschuit namen zij zonder opmerking aan tot zij ons volk ervan zagen eten. Het beviel hun goed en toen vroegen zij erom, en zij deden zich ruimschoots te goed aan gezouten varkensvlees en rijst enz.

Op genoemde 16 november scheepten wij ons om één uur overdag in de barkas in: Don Cayetano Lángara, eerste luitenant, Don Pedro Obregon, adelborst, een sergeant, een korporaal der mariniers, een kanonnier, enkele mariniers en ikzelf, volledig gewapend en uitgerust, met orders om samen met de barkas van de Rosalia, met haar officier Don Demetrio Ezeta, eerste luitenant, het eiland geheel rond te varen, elk met een draaibas op de boeg. Wij gingen aan het werk om te loden, en gaven namen aan de punten, baaien enz., zoals op de plattegrond van het eiland is aangegeven. Om half zeven 's avonds legden wij aan in een inham die wij naar Lángara noemden: wij probeerden te landen, maar dat was niet uitvoerbaar, daar de zee met zo'n kracht langs de hele kust brak, die overal rotsachtig was; en gedurende de rest van de dag was de enige plek die wij geschikt vonden om te landen de inham van San Juan, daar die een zandstrand had. Wij maakten onze aanwezigheid daar niet bekend, om geen tijd te verliezen. Wij meenden dat er een ruime voorraad zoet water moest zijn, omdat wij daar meer grind [chacaras] zagen dan op enig ander deel van het eiland. Ook vonden wij er de beste ankerplaats voor schepen.

Op de 17e van genoemde [maand] brak de dag aan met een heldere horizon en een matige bries uit het oosten. Om vijf uur 's morgens gingen wij met beide barkassen onder zeil en koersten naar Kaap San Antonio. Een halve mijl voor wij de kaap bereikten, kwamen wij ter hoogte van een punt waarvoor een aantal rotsen of keien uit het water staken; en wij zagen dat er twee kleine kano's met elk twee mannen tussenuit kwamen, op weg naar de barkas van de Santa Rosalia; dus wachtten wij op hen, opdat zij zich bij ons gezelschap konden voegen. Zij gaven de mensen van genoemde barkas bakbananen, chilipepers, zoete aardappelen en kippen; en in ruil gaven onze mannen hun hoeden, chamorretas enz., en daarmee keerden zij tevreden naar de kust terug. Deze kano's zijn gemaakt van vijf uiterst smalle planken (omdat er in het land geen dik hout is) van ongeveer een cuarta1 breed; ze zijn daardoor zo rank dat ze van een uitlegger zijn voorzien om omslaan te voorkomen; en ik denk dat dit de enige op het hele eiland zijn. Ze zijn met houten pennen in plaats van spijkers in elkaar gezet. Toen voeren wij verder om de rotseilandjes te onderzoeken, die wij de naam 'Lángara' gaven: ze liggen Z.W. 1/4 Z. van Kaap San Cristoval, het zeewaartse ongeveer een mijl uit die kaap, en het landwaartse daartussen. Ze liggen ongeveer een halve kabellengte van elkaar, en wij vonden er 26 vadem, rotsbodem. Het middelste lijkt op een hoge kerktoren; wij probeerden er voet aan wal te zetten, maar vonden het weinig toegankelijk. Wij voeren door naar het buitenste, waar wij erin slaagden te landen, en daarop vonden wij twee grote massa's zeewier, veel zwarte vuurstenen, enkele zee-egels en kleine krabben, eieren van meeuwen en hun jongen. Alleen op deze rotsen zagen wij meeuwen, en behalve kippen zagen wij geen andere soort vogels, op geen van de andere eilandjes, noch op het eiland San Carlos, klein of groot, wild of tam. De eilanders fokken deze kippen in kleine hokken die in de grond zijn uitgegraven en met stro zijn overdekt.

1) Een cuarta is een kwart vara of yard, en kan ruwweg vertaald worden als een 'span'.

Nadat wij deze eilandjes hadden onderzocht, vervolgden wij onze koers langs de kust, soms zeilend, soms roeiend; en daar de wind tegen bleef, hielden wij om drie uur 's middags aan op een vlak stuk strand, ongeveer een mijl ten N.O. van Kaap San Francisco. Hier besloten wij voor de nacht te ankeren in een kleine baai die ons daarvoor geschikt leek, en die wij de naam 'de Grot' gaven, omdat er op deze plek naast het strand een grot was met groeven in verschillende tinten, waaruit de inboorlingen, zo gaven zij ons met gebaren te verstaan, de verfstoffen haalden waarmee zij zich beschilderen. Deze baai is alleen geschikt voor barkassen. Wij gingen allen aan land om ons middagmaal te eten, dat wij daartoe hadden meegenomen, en zo'n honderd inboorlingen kwamen kijken en boden ons vruchten en hennen aan. De officier, Don Cayetano de Lángara, gaf ons volk bevel dat niemand, op straffe van een zware geseling, enig voorwerp van de eilanders mocht aannemen zonder er iets gelijkwaardigs voor terug te geven, of iets van grotere waarde dan wat hij ontving, daar men wist dat er bereidheid bestond om voorwerpen te ruilen; en zo gebeurde het ook.

1) Un 'xeme', d.w.z. jeme, de afstand van het puntje van de duim tot het puntje van de wijsvinger.

2) Ongetwijfeld wordt hier kurkuma bedoeld – een gewone plant op de meeste eilanden in de Stille Oceaan.

De ochtend van de 18e brak mooi aan, met de wind uit het noorden: wij vervolgden onze weg langs de kust, die overal door branding wordt omgeven, en loodden onderweg. Om 8 uur liep de barkas van het fregat, die tegen de wind in geen voortgang kon maken, een kleine baai binnen om te wachten tot die ging liggen; en wijzelf bereikten roeiend om 5 uur 's middags de Klokkeninham1, om daar de nacht door te brengen. Wij gingen daar aan land en enkele eilanders kwamen ons ontvangen, maar een regenbui deed ons voor de nacht naar onze barkas terugkeren. Aan de kant van deze inham die naar de kaap San Felipe ligt, steekt een rots in de vorm van een klok uit de kust, en daaraan ontleent de inham zijn naam.

1) D.w.z. Klokkeninham = Caleta de la Campana.

Wij gingen op de 19e bij het aanbreken van de dag onder zeil, met de wind uit het N. en mooi weer, naar de kaap San Felipe, waar de andere barkas zich bij ons voegde, die meldde dat zij geen nieuws had. Op dat moment worstelden wij met de stroming, die naar het oosten liep en waartegen wij met de riemen geen voortgang konden maken. De barkas van het fregat, die kleiner was dan de onze, kwam beter vooruit dan wij, en toen de mensen aan boord zagen hoe wij tegen de aanhoudende stroming vochten, stuurden zij ons de kotter met een verse bemanning om onze mannen af te lossen, die uitgeput waren. Toch deed de stroming zich met zo'n kracht gelden dat wij, na van 9 uur 's morgens tot 6 uur 's avonds te hebben geroeid, nauwelijks één mijl van Kaap San Felipe waren gevorderd. Op dat uur echter begunstigde God ons met een onweersbui, vergezeld van regen en een windkentering van N.W. naar Z.O., die ons om half acht langszij bracht, en zo eindigde onze expeditie zonder andere avonturen dan reeds verteld.

Wij waren ervan overtuigd dat de rede waarop wij voor anker lagen de beste is die het hele eiland biedt, behalve die van San Juan, waarheen wij niet verhaalden, daar wij dit land zo spoedig weer zouden verlaten, aangezien ons alleen nog restte er in naam van de koning bezit van te nemen.

1) 'Leonda' in het handschrift; kennelijk wordt opnieuw kapitein Olaondo bedoeld.

Op de 20e, bij het aanbreken van de dag, scheepten alle gewapende zeelieden zich in de barkassen en kotters van beide schepen in, onder Don Alberto Olaondo1, kapitein der mariniers, met zijn mariniers en die van het fregat, samen 250 man. Zij trokken allen naar het binnenland van het eiland om het land te verkennen. Onze bevelhebber [segundo capitan] Don José Bustillos2 ging mee met een andere groep mariniers en zeelieden, en met de twee kapelaans, die drie kruisen meevoerden om op te richten op drie heuveltoppen die, zoals op de plattegrond te zien is, op de N.O.-punt van het eiland liggen.

2) 'Jose Gustillo' in het handschrift; kennelijk wordt Josef Bustillos bedoeld.

Een groot aantal inboorlingen ontving hen bij de landing en bood aan onze officieren bij de ontscheping te helpen, wat zij ook deden; en zij namen de drie kruisen op zich, die zij naar de genoemde heuvels droegen, terwijl de kapelaans litanieën zongen en de eilanders samen met ons volk de antwoorden meezongen: ora pro nobis. Op het moment dat het gat op de middelste heuvel werd gegraven, ontsprong er een mooie bron van zoet water, zeer goed en overvloedig. Toen de kruisen geplant waren, loste de groep drie musketsalvo's, en de schepen antwoordden met elk eenentwintig kanonschoten onder de vreugdekreet Viva el Rey. De eilanders riepen met ons volk mee; zij spreken zo gemakkelijk uit dat zij alles wat hun gezegd wordt net als wijzelf herhalen. Toen deze onderneming volbracht was, keerden wij allen aan boord terug.

De vrouwen gebruikten omslagdoeken of mantels: één die hen van het middel naar beneden bedekt, en een andere om de borsten. Er zijn ook anderen die alleen een lap of strook van een of andere wortel dragen, die zij net als de mannen van voren plaatsen. Zij hebben verscheidene zeer lage en kleine hutten, en enkele zoals de eerstgenoemde.

Overal op het eiland, maar vooral dicht bij het strand, staan zekere enorme stenen blokken in de vorm van een menselijke figuur. Ze zijn zo'n twaalf el hoog, en ik denk dat het hun afgoden zijn. Zij konden het niet verdragen ons sigaren te zien roken: zij smeekten onze zeelieden ze te doven, en dat deden die. Ik vroeg een van hen naar de reden, en hij gaf met gebaren te kennen dat de rook omhoogging; maar ik weet niet wat dit betekende of wat hij wilde zeggen.

Ik meen dat de mantels of omslagdoeken van de genoemde eilanders worden gemaakt van de vezels van de stengels van de bananenplant, die zij, eenmaal droog, samenvoegen zoals het hun doel past1: het is niet geweven, maar wordt verbonden met draden van hetzelfde materiaal, die zij op benen naalden rijgen ter grootte van een mantelmakersnaald. Van dezelfde vezel maken zij vislijnen, en ook netten op de wijze van onze kleine netten; maar van weinig sterkte.

Zij hebben zeer weinig hout; maar als zij bomen zouden planten, zou er geen gebrek aan zijn; en ik geloof dat zelfs de katoenplant er zou gedijen, daar het land zeer gematigd is: en tarwe, tuingewassen, moeskruiden enz. Zij verven hun mantels geel.

1) Het materiaal was in werkelijkheid de witte binnenbast van de papiermoerbeiboom (Broussonettia papyrifera), en de draad waarmee de stukken aan elkaar werden gezet, was waarschijnlijk gemaakt van de bast van Hibiscus tiliaceus. Een Spaanse marineofficier kan deze vergissing gerust worden vergeven, want het gebruik van de vezel van Musa textilis, die hij kende als abacá en wij als 'manillahennep', zal hij ongetwijfeld op de Filipijnen hebben gezien; en misschien was zijn lopend want er in die tijd zelfs al van gemaakt.

Het aantal inwoners, beide seksen samen, zal zo'n negenhonderd tot duizend zielen bedragen: en daarvan zijn er maar heel weinig vrouwen – ik geloof niet dat het er zeventig zijn – en maar weinig jongens. Zij hebben de kleur van een quarteroon, met sluik haar en korte baarden, en zij lijken in geen enkel opzicht op de Indianen van het Zuid-Amerikaanse continent; en als zij kleding droegen zoals wij, zouden zij heel goed voor Europeanen kunnen doorgaan. Zij eten zeer weinig en hebben weinig behoeften: zij doen het geheel zonder enige drank.

Op de 21e om 12 uur kozen wij zee vanaf dit eiland van David: wij zeilden zo'n 70 mijlen naar het westen om te zien of er in die richting nog meer land lag.

Vanaf de lengte van 263° 31' voeren wij oostwaarts tot 281° langs de breedtegraad van 38 ½°, zonder enig teken aan te treffen; en vandaar gingen wij naar Chiloé.