De echte ontdekking van Paaseiland

Tegenwoordig schrijft vrijwel iedereen de ontdekking van Paaseiland, vanuit westers perspectief, toe aan de Nederlandse zeevaarder Jacob Roggeveen. Maar als we het de zeevaarders uit die tijd zouden vragen, kregen we waarschijnlijk geen zo duidelijk antwoord.

In 1687 zagen de Engelse boekanier Edward Davis en zijn bemanning waarschijnlijk wat nu Paaseiland heet. Ze beschreven een zanderig en laag eiland. Het zanderige uiterlijk kan zijn veroorzaakt door verschroeid gras in de zomer. Ze maakten nooit melding van beelden en gingen nooit aan land op het eiland.

Zowel Jacob Roggeveen in 1722 als de Spaanse zeevaarder Don Felipe Gonzalez in 1770 volgden de aanwijzingen van deze Engelse piraat om het eiland te vinden, zoals je in hun scheepsjournaals kunt lezen. Ze noemden het eiland allebei Davidsland.

Verslagen van zeevaarders uit de 18e eeuw

Jacob Roggeveen, 1722

Na een bezoek aan het eiland Juan Fernández zetten ze koers naar wat zij Davidsland noemden, in het westen. Hun eerste indruk bij aankomst op Paaseiland was dat het zanderig was, en dus namen ze aan dat ze hetzelfde eiland hadden gevonden als kapitein Davis in 1687. Bij nader inzien begrepen ze dat wat ze voor zand hadden gehouden, in werkelijkheid verschroeid gras was. Uit het scheepsjournaal van Jacob Roggeveen, 6 april 1722:

De reden waarom wij in het begin, toen wij nog verder af waren, het voornoemde Paaseiland voor zandig hadden aangezien, is dat wij het verdorde gras, en hooi of ander verschroeid en verkoold kreupelhout, voor een grond van die dorre aard hielden, omdat het naar zijn uiterlijk geen ander denkbeeld gaf dan dat van een buitengewoon schrale en magere begroeiing; en de ontdekkers hadden het derhalve de naam van zandig gegeven.

Jacob Roggeveen leidt hieruit af dat hun nieuw gevonden eiland niet Davidsland is (wat Roggeveen tot de ontdekker van het eiland zou maken). Dat is een ongeldig argument, want Edward Davis heeft het eiland alleen van een afstand gezien. Misschien wist Roggeveen niet dat Davis het eiland niet van dichtbij had bekeken. Roggeveen vervolgt:

Men mag derhalve, in het licht van de voorgaande uiteenzetting, besluiten dat dit nu ontdekte Paaseiland een ander land zal blijken te zijn, dat verder oostwaarts ligt dan hetgeen een van de doelen van onze expeditie is; of anders moeten de ontdekkers van een hele bundel leugens in hun verslagen worden overtuigd, zowel mondeling als schriftelijk verteld.

Na het bezoek van Roggeveen aan Paaseiland voeren ze verder naar het westen, op zoek naar het echte Davidsland. In die richting kregen ze nooit land in zicht. Op 21 april riep Roggeveen zijn officieren bijeen, en tijdens die vergadering concludeerde hij dat Paaseiland hetzelfde eiland moest zijn als dat wat de Engelse piraat Edward Davis in 1687 had ontdekt.

Don Felipe González, 1770

De Spaanse zeevaarder Don Felipe González volgde alleen de aanwijzingen uit het journaal van het bezoek van Edward Davis in 1687. In zijn journaal noemde hij het eiland steeds Eiland van David. Hij noemde de reis van Jacob Roggeveen nergens, dus waarschijnlijk wist hij daar niets van.

James Cook, 1774

Kapitein James Cook begreep hoe de zeelieden van de reis van Edward Davis in 1687 het eiland voor zanderig konden hebben gehouden. Hij hield er rekening mee dat het eiland dat de piraten hadden gezien Paaseiland kon zijn geweest. Uit nieuwsgierigheid wilde hij een paar dagen extra naar dit Davidsland zoeken, maar vond daarvoor op Paaseiland niet het nodige zoete water. Het volgende komt uit het journaal van James Cook:

Ik zal nu een nader verslag van dit eiland geven, dat ongetwijfeld hetzelfde is dat admiraal Roggewein in april 1722 aandeed, hoewel de beschrijving die de schrijvers van die reis ervan gaven er thans geenszins mee overeenstemt. Het kan ook hetzelfde zijn dat kapitein Davis in 1686 zag; want van het oosten gezien beantwoordt het zeer goed aan de beschrijving van Wafer, zoals ik reeds eerder opmerkte. Kortom, als dit niet het land is, kan zijn ontdekking niet ver van de kust van Amerika liggen, daar deze breedte van de meridiaan van 80 tot 110 goed verkend is. Kapitein Carteret zette dit veel verder voort; maar zijn koers schijnt iets te ver zuidelijk te hebben gelegen. Had ik zoet water gevonden, dan was ik van plan enige dagen te besteden aan het zoeken naar het lage zandige eiland waarop Davis stuitte, wat de zaak zou hebben beslist. Maar daar ik geen water vond, nog een lange tocht te maken had voordat ik zeker was er enig te krijgen, en verversingen nodig had, zag ik van de zoektocht af; want een kleine vertraging had slechte gevolgen voor de bemanning kunnen hebben, van wie velen in meerdere of mindere mate door scheurbuik begonnen te worden aangetast.